Een vleugje transcendentie: op bezoek bij Irmine Remue

"Liever arm en vrij, dan een rijke slaaf", zo debiteert Irmine Remue, daarmee wijzend op het feit dat ze slechts heel deeltijds lesgaf en daarnaast koos voor haar vrijheid als kunstenaar. Bijna zeventig is ze nu, mijn dorpsgenote, en zelfs nog meer bevlogen dan ze bij mijn vorige bezoeken leek. Magische ontmoetingen, ik slurp ze dezer dagen op, als tegengif tegen de treurnis en de horror.



We - Frederic De Meyer en ik - waren eigenlijk op bezoek om haar landschappen te bewonderen, in het licht van een komend kunstcahier, maar schoorvoetend haalt ze ook een aantal profetische tekeningen boven die weggestopt waren onderaan de stapel, als was hun energie te hevig, te confronterend. Het is de gekheid van de mens, zegt ze, de gruwel van de oorlog, de oerschreeuw van hij die verloren is en tot op de ziel gehavend.

Maar zij, zij lijkt door het leven ongeschonden. Ze straalt en de tranen stromen over haar wangen wanneer ze vertelt over het glooiende landschap dat haar mooie Bottelare omringt, de Driesbeekvallei en de eerste voorzichtige opstapjes naar de Vlaamse Ardennen. Vaak gaat ze er urenlang turen en tekenen, gewapend met een arsenaal aan materiaal - "ik weet nooit op voorhand waar ik zin zal in hebben" - een stoel, een tafeltje. Ze vergeet de tijd, ze vergeet te eten, de ontroering en begeestering hebben haar helemaal in de greep.


Haar landschappen, soms onstuimig, soms ingetogen, zijn spiegels van de ziel, bekent ze. Van de overweldiging in situ gaat het naar de vergeestelijking en de transcendentie in het atelier. Daar worden de eerste impressies bijgewerkt, doorgewerkt, doorgeveegd zelfs. Symfonieën van pen, potlood, krijt... wilde uithalen met inkt, een uitzinnige, eigenzinnige dans die zij elke dag weer voor zichzelf choreografeert.


De ene zijde van haar atelier geeft uit op het weidse landschap, de andere zijde op de neobarokke kerk en het kerkhof. Dorpse taferelen passeren hier dagelijks de revue, de praatjes zijn navenant. Voor hun deur schrijdt een stoet voorbij van blijdschap en verdriet, van een doop tot een communie, van een huwelijk tot een kennis die ten grave wordt gedragen. "Het groeien, de neergang, de rijpheid en het vergaan: het is de eeuwige cyclus van de natuur, waar wij deel van uitmaken. Altijd weer vind ik de troost in het kosmische landschap. Wat er ook gebeurt: de zon komt elke dag weer op, daar kunnen we zeker van zijn. Naar de horizon kijken stemt me hoopvol. De mens is niet trouw, de natuur wel."


We zijn zielsverwanten, Irmine en ik, dat schrijft ze nadien ook in het bedankje bij ons bezoek. Kluizenaars in de wereld, maar misschien niet van de wereld. Observators aan de zijlijn die altijd weer zoeken naar het hogere, het diepere, de verborgen sprankel, het mysterie van het leven. "Dat wetenschap bestaat is goed en zeer, zeer belangrijk", fluistert ze. "Maar filosofie, kunst, spiritualiteit en religie geven zin." Het is de intuïtie die haar leidt, naar de plekken waar ze moet zijn om te tekenen, om de magie van het landschap vast te leggen, de moederschoot die haar ingelukkig maakt.


"Het is een liefdesgave", zegt ze, nu ze stilaan met haar werk meer naar buiten komt (in 2023 overigens een hele zomer lang in de pastorie van Munte). "Mijn werk is mijn geschenk aan de wereld. Als er geen schone plekken meer zijn, dan moeten ze gecreëerd worden." Als we ons afvragen wat de functie van kunst is in deze troebele tijden, dan hebben we hier het antwoord. Hoe hard de oorlog in en buiten ons ook woedt, er zijn altijd die kleine, bescheiden eilanden van troost en schoonheid die we zelf kunnen creëren, elke dag.


Dit artikel verscheen eerder op TheArtCouch.