Ontwaken, een groot taboe?

Updated: Sep 3

'Ontwaken' of 'wakker zijn', het is momenteel een groot taboe. Niet alleen omdat je er bij velen wrevel mee opwekt, als je de term gebruikt, maar ook omdat het zo'n moeite kost - mij alvast - om erover te spreken. Over het 'heilige der heiligen' zwijgt men - zoiets, uit vrees voor desacralisatie. En hoe druk je dat wat niet uit te drukken is uit? En toch, wie diep humaan is, verlangt altijd ergens naar verbinding, naar begrip, naar uitwisseling van blik tot blik: ik heb jou gezien.



Dus schrijf ik, over dat wat niet te beschrijven valt. Het manna van de essentie, dat me te beurt valt in mijn meditaties, de vervullende verzen die me tegemoet worden gegooid, uit weet ik veel welke dimensie, de inzichten die het dagelijkse theater ver overvleugelen. De woorden die ik maar heel zelden vind, de verhalen die plots slechts nog zijn wat ze zijn: verhalen.


En tussen al die overbodige concepten laveer je jezelf een weg, afpellen en afleggen, elke dag weer, wetende dat je nooit in dit leven aan de kern zult arriveren, volkomen zuiver zult zijn, de Waarheid in zijn totaliteit zult aanschouwen. Het is het aangaan van iets eindeloos en misschien zelfs hopeloos, terwijl er tegelijk een enorme bevrediging of zelfs vrede in vervat zit.


En toch is er geen weg meer terug. Men zegt: het is het doorzien van alle illusies, het is het ontmaskeren van de matrix, het is het verlaten van de droomstaat. Men heeft er talloze benamingen voor. Maar eigenlijk is dit waar het om gaat: er zit geen betrachten in. Men kan niet ‘willen wakker worden’, ‘willen ontwaken’, omdat men op dezelfde manier niet kan ‘willen slapen’ of ‘willen dromen’.


Het overkomt je, het valt je te beurt, het speelt zich grotendeels af terwijl je het niet doorhebt. Maar plots op een dag weet je: het gaat niet om ‘iemand zijn’ in de wereld, het gaat om gewoon ‘zijn’. Een stuiterende zinloosheid in alles wat je jezelf verteld hebt, alles waar je je aan vastgeklampt hebt, alles wat je een soort van vaste vorm en bescherming gaf.


En dan is daar: het overweldigende Niets. Eerst komt het in kortstondige glimpen en kleine wonderen, daarna zoekt het steeds meer om zich te consolideren. Zelfs tussen al je vluchten en verdringen door (want het vervellen kan gemeen zeer doen), baant het zichzelf een weg. In die zin is de oordeelloosheid, de neutraliteit, de non-dualiteit ongenadig. Je kunt er niet voor kiezen, het kiest jou. En helemaal niet op het moment dat jij daar om vraagt of ernaar verlangt.


God zwijgt, God lacht met je gestuntel, God werpt levensepisodes op als barricades, om te zien of jij er geheeld en wijzer voorbijkomt, en alweer overgaat tot het volgende stadium van purificatie. God niet in de zin van een menselijke vorm maar in de zin van: de bron, de niet aflatende, oncontroleerbare stroom, dat wat onnoemelijk groot en onvatbaar is en alles in de kosmos draagt en richting geeft. Ook het allerkleinste en zelfs dat wat niet zichtbaar is.


Maar jij staat daar: naakt, kwetsbaar en helemaal ontdaan van alles wat jou tot hiertoe definieerde. En niks past nog. Toch niet helemaal. Elke keer als iets vorm wil aannemen, elke keer als jijzelf of iemand anders wil benoemen, dan wrikt jouw oneindige wezen zich als de wiedeweerga een weg naar buiten. Want ‘zijn’ is eindeloos veel mogelijkheden, en nooit één antwoord dat helemaal voldoet. Je hebt geproefd en niemand zal jou ooit nog vangen in deze enkele dimensie, in deze densiteit.


Het lijkt alsof je, in deze fluïde ruimte tussen alle definities in, weer een soort van vastheid moet gaan verzinnen om te kunnen functioneren, alsof je weer deels een verhaal moet worden om zichtbaar te worden in de wereld. Maar misschien zijn er andere wegen, je gunt jezelf even een rustpoos – in deze leegte, holte in de tijd, sensationele cesuur – om die wegen te laten ontstaan. Wat rest er als je achter de schermen kijkt van de gekende, dense wereld? Welke essentie mag je daar ontmoeten en misschien uitdragen?


Want eigenlijk wil je zijn als water: immer kabbelend en in overgave verbonden met de bron. Even vanzelfsprekend als een merelmelodietje in de ochtend of een wolk van opstuivend zand. Een vlucht spreeuwen die zichzelf sierlijk in een harmonie brengt. Het natuurlijk verglijden van de seizoenen, zonder enige voorkeur of weerstand. Je wil dat je leven een bidden is, een moeiteloos mediteren, een ongewapend observeren en dankbaar zijn. Je smacht nu naar alles wat ongefilterd naar je toekomt: de liefde van je geliefden, de stilte, dieren en planten, het zonlicht en de wind, onbeladen ontmoetingen. Gewoon liggen in het gras en je gedragen weten door de Aarde.


En misschien is dat genoeg. Misschien is dat voorlopig meer dan genoeg.