Van overdaad naar soberheid: afkicken van prikkels

Ons hedendaagse leven is één en al overdaad. Toch voor de gemiddelde westerse mens. We eten en shoppen wat en waar we maar willen. We worden dagelijks overladen door events, invitaties en alle mogelijke opportuniteiten die onze FOMO-meter doen tilt slaan. Als de hond van Pavlov zijn we omringd door prikkels en ‘pings’ die onze hersenen continu alert, bezet en tja, ook verslaafd houden. Een stil moment, een leegte – dat kennen we niet meer. Onze computers, telefoons en tablets zorgen ervoor dat we ons nooit meer vervelen, of alleen voelen. Een heerlijk koesterende schijnwereld. Waarom zouden we daaruit willen ontsnappen?


Het antwoord is: ik vertrouw het niet helemaal. Hoezeer we ook genieten van al het comfort, de keuzerijkdom en de efficiëntie die ons hedendaagse leven ons oplevert, toch vraag ik me af wat we onderweg verloren zijn. Wat er rest of opduikt als we een en ander trachten te reduceren. Ik besloot me te focussen op twee gebieden: sociale media/communicatie, en voeding/shoppen. Ontspullen à la Marie Kondo had ik vorig jaar al gedaan voor een verhuis. Dat was heel heilzaam, maar dat is een ander verhaal.

Maar goed, die alomtegenwoordige sociale media dus. Om te beginnen moet ik mea culpa slaan: ik ben zelf een veelposter. Op Facebook, op Instagram. Ik ben dus zelf oorzaak van het ‘teveel’. Hoe dat komt weet ik niet goed. Veel heeft te maken met het graag delen van schoonheid. Overal zie ik mooie plaatjes en mooie dingen, die ik dan met anderen wil delen. Ik hou er ook van als anderen mooie dingen delen. De sociale media bestaan grotendeels uit delers en afnemers. Onder mijn vrienden zitten veel delers. Schrijvers, fotografen, journalisten, kunstenaars: allemaal delen ze graag. Ik vermoed dat ligt aan het verlangen naar communicatie, de behoefte aan diepere connecties. Delen schept troost, zalft, verbindt. Het moet zoiets zijn.


Die verdomde wifi

Het is 4 juli en ik zit in een godvergeten gat in Frankrijk. De bewoonde wereld stopt hier vijf kilometer verderop in een piepklein dorpje met één bakker, één slager en een postkantoor. Er is ook een kruidenierswinkeltje met een joviale rondborstige waardin. Ze pakt alles in in papier, hier geen overdaad aan plastic zoals in onze supermarkten.

Naar ons vakantiehuis gaat het via een hobbelige weg en eeuwenoude, knoestige kastanjes. Er is geen gsm-verbinding. Er is geen televisie. Om warm water te hebben moet mijn man even sleuren met gasflessen. Het fornuis binnen doet het niet, dus we koken buiten. De stilte ’s nachts is oorverdovend. Af en toe het geroep van een uil. Het geratel van de nachtzwaluw. We slapen als rozen. Deze rust hebben we in tijden (sinds onze kindertijd?) niet meer gekend. Dit stekje is de ideale uitvalsbasis om het teveel te bekampen.

Echter, dat is buiten één stoorzender gerekend: er is wifi in ons vakantiehuis. Hoe schoon en hoe idyllisch het hier ook is, mijn kinderen stellen op de eerste ochtend de verpletterende vraag: “Mogen we Netflix?” Ik ben verbouwereerd. Wat met het zwembadje, de schommel, het klimtouw, de pingpongtafel, de eindeloze speelhoekjes in de tuin, de weggetjes waarlangs ze kunnen verdwalen en de beek in de buurt? Kunnen ze het niet meer, spelen zoals vroeger, verdwijnen en pas tegen de avond uitgehongerd binnen stommelen? Waar is de verbeelding, het ravotten tot ze gitzwart zien, de ontdekkingsdrang?

Ik ga drastische maatregelen moeten nemen. Filmpjes en Netflix pas na 16u, als ze moe zijn en nood hebben aan een pauze. Maar de volgende ochtend zijn moeder en vader zo lui om tot tien uur in bed te liggen, en wat zien ze als ze beneden komen? Twee voorbeeldige duifjes die een stapel tekeningen hebben geproduceerd. Nagetekend van YouTube-filmpjes. Excellent. We besluiten dan maar om ook ’s ochtends tot tien uur de schermpjes toe te laten. Alles voor ons gemak. Ah ja.

Het bannen van de nieuwe media uit het leven van hedendaagse koters blijkt dus alles behalve gemakkelijk. Het gaat met duwen en trekken en veel gezeur, zeker bij de zoon van vijf. De redding blijkt de piano waar hij urenlang gedreven op tokkelt. Het verlies van onze rust nemen we er graag bij. Dochterlief (11) heeft haar eigen slimme telefoon, dus die heeft al helemaal een eigen leven. Ze weet dit echter in te perken, gaat er bezadigder mee om dan moeder en vader, dus we laten het toe. Ze leest boeken, tekent, schrijft brieven naar haar vriendinnen. Ik ben stiekem jaloers op het evenwicht dat ze als vanzelfsprekend vindt.

Als ze daarop een hele namiddag uitzinnige pret hebben in het zwembad en ons ’s avonds vergasten op een zelfverzonnen slapstick-performance, ben ik helemaal gelukkig. Niet alle kinderen zijn avonturiers die zonder moeder en vader het bos intrekken. Vroeger waren er tussen die belhameltjes wellicht ook kinderen die liever tekenden, musiceerden en toneeltjes bedachten. Creatieve schijtluizen zijn van alle tijden.


Start to detox

En nu ikzelf. Digitale detox van 1-31 juli, zo besloot ik en kondigde ik aan op Facebook. Bedenken wat kon en niet kon was een klus op zich. Facebook en Instagram een maand niet checken, dat was een evidentie en stond snel vast. Ik gooi de apps voor de zekerheid van mijn telefoon. Mails niet checken, dat is voor mij niet mogelijk. Ik ben freelancer en heb deadlines die blijven komen, ook op vakantie. Ik probeer me te beperken tot één à tweemaal per dag mijn mailbox openen. Dat lukt aardig. WhatsApp blijft ook aanstaan. Ik heb nu eenmaal vrienden die vooral via deze weg communiceren, en het is niet de bedoeling dat dit experiment me sociaal isoleert. Idem voor Messenger. De bijna dagelijkse praatjes met vriendinnen en met mijn moeder zijn me te lief. Ook in vroegere tijden teerden vrouwen op hun onderonsjes, al verliepen die dan vooral in levenden lijve, en bij de thee of koffie. Als kind hing ik uren aan de telefoon met mijn vriendinnen. Nu wordt er soms urenlang getypt. Is dat beter? Slechter? De confidenties zijn in ieder geval even groot.

Wel weet ik dat echt lijfelijk contact, van tijd tot tijd, voor mij van belang is. Ik weet graag hoe mensen ruiken, bewegen, kijken. Dus ik heb op de sociale media enkel en vooral contact met mensen die ik ook af en toe in het echt ontmoet. Ook mijn nieuwsoverzicht reduceer ik tot zij die ik écht ken. Zo beperk ik de overdaad aan sociaal contact. Lastpakken vliegen er meteen uit. Ik ben resoluut in het clean houden van mijn vriendenbestand. Ik kan mijn tijd niet verdoen met negatievelingen.

Mensen vragen me soms: hoe hou jij stand in dat sociale-mediacircus? Wel, dat is zo: enkel mensen zien die ik echt ken en die volgens mij schoon zijn van ziel, die mooie of nuttige dingen posten. En al het overbodige meteen bannen. Simpel. Daarnaast ga ik veel wandelen. Elke dag zeker een uur, en op die wandeling ontmoet ik zelden mensen. Dat helpt. Het maakt dat ik eigenlijk weinig last heb van het ‘teveel’ of van overprikkeling.

Ik vond dit een goed uitgangspunt voor dit experiment. Want als je reeds last hebt van het teveel, is het resultaat van ‘mediaminderen’ redelijk voor de hand liggend. Terwijl ik eigenlijk niet wist welke voordelen het mij zou bieden. Wat het mij zou brengen.


Alvast een aantal vaststellingen:

1. Aangezien ik op Facebook niet meer overspoeld word door allerlei info over vrienden waar ik niet naar op zoek was – die heeft een nieuwe poes en die heeft last van de hitte en die heeft zo’n leuk feestje gehad en… - kan ik me beter richten op de contacten die er echt toe doen. Op Messenger dus. De focus is makkelijker. Ik reageer gerichter, ben bezorgder en meer begaan, heb meer energie of mentale ruimte om anderen tegemoet te treden zoals het moet. In mijn kop zit minder overbodige rommel. Zij die van belang zijn komen als vanzelf bovendrijven.

2. Lastiger: Facebook is voor mij ook een vorm van escapisme. Een moment tijdens de dag waarop ik rust neem, even ga zitten met een kop thee, een beetje scrollen en wegdromen bij al die levens. Dat kan nu niet. Ik word geconfronteerd met mijn eigen gevoelens en gedachten. Vluchten kan niet meer. Er is veel van mezelf en veel minder van anderen.

3. FOMO, daar heb ik geen last van. Het kost me geen enkele moeite om Facebook te laten en de wereld te laten begaan. Wel vind ik het lastig om aan één stuk door te schrijven of een boek te lezen, en daartussen niet even te kunnen pauzeren met wat surfen en swipen. Die eenzijdige focus ben ik niet meer gewoon. Mijn geest is het gewend om meer tegelijk te doen.

4. Doelloos surfen of nieuwssites checken doe ik hier niet. Enkel af en toe iets opzoeken wat echt van belang is. Welke vlinder we hebben gezien. De uurregeling van het toeristische treintje. Routes op Google Maps. Zo’n dingen. Er schijnt een soort natuurlijke weerstand te zijn tegenover te veel op een scherm zitten in een mooie omgeving. Ik kijk liever naar het wemelen van bijen en vlinders in de tuin. Daar ben ik blij om. Of dit thuis ook zal lukken, na de vakantie, is een ander paar mouwen.


De ontdekking van het gemis

Dag tien van het experiment. Ondanks het feit dat ik al tien dagen geen nieuws zie en niet scroll op Facebook, droom ik vannacht heftig over een terroristenaanslag. Dat zegt wat over ons verwerkingsproces. Misschien is er toch meer diep ingebedde angst dan we beseffen. En voor de rest? Ik heb niet het gevoel dat mijn leven plots radicaal veranderd of verbeterd is. Volgens mijn man ben ik meer ‘aanwezig’, omdat ik minder in beslag wordt genomen door schermpjes. Dat kan. Ik lees meer en speel gezelschapspelletjes met de kinderen. Ik voel niet meer de voortdurende aandrang mooie plaatjes te schieten en die te overgieten met de meest flatterende filter. Dat is een bevrijding. Want mooi is het hier wel, op onze afgelegen plek in de Ardèche. Betoverend mooi bij momenten. Voorts eten we wat hier te kopen valt in de omgeving, wassen we met een aftandse wasmachine, koken we op een oud gasfornuis en wandelen we veel. De stilte en de rust zijn allesomvattend. Tot hier is het experiment glansrijk geslaagd.

Het grootste ‘teveel’ komt – toegegeven – eigenlijk van mijn kwetterende vijfjarige zoon. Hij tatert de dag door, eist zowat alle ruimte op in mijn hoofd, en als ik ademruimte wil moet ik ontsnappen naar het toilet of de slaapkamer. Toch is hij ook de bron van het grootste gemis: ik wil zo graag de plotse wijsheden delen die opborrelen uit zijn onbevangen hoofd. Het is wat, zo’n kleuterbewustzijn dat uitdooft en baan ruimt voor het rijpere bewustzijn en meer doorgedreven denken van een lagereschoolkind. Hier op reis, met onze totale aandacht, gaat zijn ontwikkeling plots op kruissnelheid. Het doet me pijn dat ik deze bron van plezier en troost niet kan delen met mijn besloten groep ‘intimi’ op Facebook. Dat delen, het is toch wat. Niets bestaat wat niet iets anders aanraakt. Niets bestaat wat niet door anderen is gezien.


De eerste zonde

Dag twintig. We zijn terug thuis en de dochter is op kamp met de jeugdbeweging. Ergernis alom bij de moeders! Ze zijn al vijf (vijf!) dagen weg en nog geen enkel bericht op Facebook! Hoe durft die leiding! Schande! Ik bedenk dat het vroeger altijd zo verliep als wij op reis of op kamp vertrokken. Soms waren we drie weken weg en schreven we welgeteld één brief naar het thuisfront. Onze ouders waren kampioenen in geduld.

Maar daar zijn ze dan, de eerste foto’s! Hoera-kreten van de medemoeders stromen binnen via Whatsapp. Ik bega mijn eerste zonde. Te verleidelijk is het, die kiekjes van mijn oudste, die voor het eerst voor zo’n lange tijd weg is van huis. Ik capituleer, ik wil meegluren.

Met mondjesmaat laat ik de virtuele wereld weer een beetje binnensijpelen, en wonder boven wonder: het lukt het me nu veel beter dan vroeger om te doseren, om nee te zeggen en me bijvoorbeeld terug te trekken met een boek. Ik voel ook niet de aandrang om zelf veel te posten.

Wat me opvalt, zo na een tijd aan de zijlijn, is hoe iedereen zijn uiterste best doet om de leukigheid van het leven – van zijn of haar leven - in de verf te zetten. Terwijl het vaak verdomde shit is, achter de schermen. Er bestaan twee werelden: de reële, waar we te maken krijgen met de meest vileine gezondheidsproblemen en lelijke vechtscheidingen, en de virtuele, waar we de nieuwste cocktails proeven in de hipste zomerbars. Elk festival moet ge-instagrammed, en elk gezellig vriendenonderonsje op Facebook. #squadgoals, weet je wel.

Worden we daar allemaal niet een beetje moe van? Van tegen elkaar op te bieden hoe vol ons leven wel niet is, en hoe je daarvan allemaal móet proeven om betekenis te geven aan het bestaan? Voor het eerst – want ook ik pleit in deze vreselijk schuldig - laat ik veel aan me voorbijgaan. Zelfs de lokroep van de Gentse Feesten klinkt niet hard genoeg. Een boek en mijn eigen tuin, dat is genoeg voor groot geluk. Misschien leert dit experiment me wel dat ik talent heb als heremiet.

En het nieuws? Dat heb ik al twintig dagen niet gevolgd. Geen televisie, geen krantensites, geen Facebook. Natuurlijk zijn er lekken. Mijn man gooit me af en toe wat nieuwtjes toe, over kleine en grote gebeurtenissen. Het voelt wel een beetje afgesneden van de wereld zo. Maar voor deze korte periode is het wel draaglijk. Na deze sabbat krijg ik weer toegang tot het wel en wee van onze hele vriendenkring. En draai ik weer mee in de mallemolen van gedeeld plezier. Of toch niet?


Food for thought

Ik moet het nog even hebben over mijn andere pogingen tot soberheid. Online winkelen heb ik niet gedaan. Het viel me ook niet moeilijk maar misschien zaten we in een periode waar toevallig niet veel nieuwe spullen nodig waren. De grootste ontdekking tijdens deze maand van experiment: de markt. Wat een plezier. Tussen de grijze dametjes en rijpere heertjes in een lange rij staan wachten op een stukje verse vis of kip-aan-‘t-spit, het heeft wat. Zelfs de sympathieke boer uit ons dorp stond er te blinken met een aardappelkraampje. Op de een of andere manier heb je toch het gevoel dat je hier dichter bij de producent staat dan in de grootwarenhuizen, ook al is dat niet steeds zo en is niet alles even koosjer. Menselijk contact blijkt heel belangrijk; het lijkt alsof je voedsel beter smaakt als het zichtbaar door menselijke handen is gegaan, als je de verkoper in de ogen hebt gekeken. Misschien komt dit ook doordat je meer moeite hebt moeten doen om alles te vergaren. In de supermarkt ligt alles voor het grijpen, hier moet je van kraam tot kraam gaan, en stilstaan bij wat je écht nodig hebt. Het vergt meer inspanning. Maar het brengt ook plezier. De vele praatjes met bekenden maken de marktdag voor mij een totaal nieuw en verrassend sociaal gebeuren.

Niet meer shoppen in de Delhaize of Albert Heijn, het kostte wat denkwerk. Want daar hebben ze alles wat mijn foodiehart begeert. Helaas zit het zo vaak in plastic of andere overbodige verpakkingen, wat nogal een weerzin in me oproept. In een land als Frankrijk is het gemakkelijk om lokaal en verpakkingsarm te shoppen, maar ik wil dit hier ook. Biologisch en korteketen, dat zijn nu mijn dada’s. Dus ik zoek naar alternatieven. Ik ga vaker naar de buurtwinkels, ontdek de verpakkingsarme winkel Ohne en probeer de Lousbergmarkt uit in Gent, waar vier lokale bedrijfjes gaan voor kwaliteit en vakmanschap. Een heerlijke overdaad aan betrouwbaar voedsel. Het kost me méér tijd en moeite, maar ik vermoed dat je hier uiteindelijk ook een soort routine in ontwikkelt. In ieder geval ben ik door dit onderzoek gedwongen alternatieven te zoeken, én ik heb ze gevonden. Ze bestaan, voor wie ze wil vinden.


Wat nu rest

We zijn eind augustus, een maand na het experiment. Nog steeds vind ik het moeilijk om een voet binnen te zetten in de supermarkt, en de Fipronilcrisis maakt mijn overtuiging alleen maar sterker. Korteketen, lokaal en biologisch zijn de toekomst. Ook het sociale theater van Facebook betreed ik met een zekere schroom. Volgens mijn man ben ik een pak rustiger geworden, nu ik niet meer obsessief aan mijn schermpjes ben gekluisterd. 10/10 dus, voor deze toets. Ik deel ook minder, wat zorgt voor meer stilte in mijn hoofd. Nooit had ik verwacht dat deze maand detox me zo blijvend zo veranderen. Ik dacht dat ik bewust leefde, maar ik heb mezelf overschat. Deze oefening heeft mijn bewustzijn nog meer aangewakkerd, mijn ogen nog meer geopend.

Het was ook, onvoorzien, een les in zelfkennis. De aanhoudende stroom informatie en communicatie maakt geen onderscheid in karakter of persoonlijkheid. Iedereen heeft toegang en iedereen wordt in gelijke mate overspoeld. Facebook kun je vergelijken met een rumoerig café. Er is altijd iemand aan de praat, en er valt altijd wat te beleven. De vraag is of jij elke avond op café wil. Of zelfs: elk uur van de dag. Net zoals er notoire cafégangers en verstokte huismussen zijn, zijn er mensen die perfect bestand zijn tegen de drukte van Facebook, en mensen die meer nood hebben aan rust.

Ik ben zo’n mens, denk ik. In de eerste plaats omdat mijn job daarom vraagt. Nadenken, schrijven, schilderen: het vergt een diepe concentratie. En door alle afleiding die de social media bieden kom je nooit tot de soort aandacht die nodig is om te creëren. Vluchtige gedachten om op Twitter te gooien, oh ja, dat wel – maar intense filosofische bespiegelingen vergen lege ruimte, isolement, afzijdigheid.

Misschien ben jij wel zo’n partybeest die niets liever heeft dan dat de feestjesinvitaties je om de oren vliegen, of heb je een politiek hart, dat geniet van elke hevige virtuele discussie, maar ik niet. In ieder geval: de kunst is de media te kneden tot ze jou dienen. Ik probeer nu vaker na te gaan wat mijn noden zijn, te peilen naar mijn langetermijndoelen, en hiermee bewust rekening te houden. Dus dat boek of dat diepgaande artikel dat me boeit, verdient soms veel meer mijn aandacht dan de vele triviale nieuwsjes op FB. Het is fijn vertier, maar het is niet steeds nodig. Heremieten gaan niet elke dag op café. Ze doen dat alleen als de stilte hen genoeg heeft gevoed.


Zelfgekozen eenvoud

Hein Zegers, welzijnswetenschapper en auteur van het boek ‘Zooikoorts’, licht toe:

“In mijn onderzoek dat aan het boek ‘Zooikoorts’ ten grondslag ligt, heb ik meer dan 500 mensen bevraagd die bewust eenvoudiger zijn gaan leven. Wat bleek: internet en vooral een smartphone of gsm blijken één van de laatste strohalmen waaraan eenvoudzoekers toch blijven vasthouden. Zelfs heel extreme minimalisten blijken vaak een gsm of smartphone te bezitten. Ik ontmoette een authentieke bedelmonnik die breed lachend een gsm uit z’n gewaad tevoorschijn toverde.

Ik heb voor ‘Zooikoorts’ ook veldonderzoek gedaan bij old order Amish, om te leren hoe zij omgaan met hun eenvoudige levensstijl. Zij hebben bijvoorbeeld geen aansluiting op het openbaar stroomnetwerk en besturen geen auto’s. Wat een aantal Amish bisschoppen echter wel oogluikend toestaan: smartphones. Op te laden met zonnecellen. Je moet immers jouw ambachtelijk geproduceerde melk, eieren en groenten toch aan de digitale mens kunnen slijten.

Vele mensen die leven volgens de principes van ‘voluntary simplicity’ (zelfgekozen eenvoud) beschouwen de schrijver Henry David Thoreau als een groot voorbeeld. Op 4 juli (jawel, dezelfde datum die jij vermeldt, Annelies) in 1845 verhuist hij naar een hutje aan een meer dat de naam ‘Walden’ draagt. Deze plek heb ik voor m’n Zooikoorts-onderzoek bezocht en wat blijkt: dit hutje lag helemaal niet zo afgelegen. Er reed toen al een trein voorbij en op een uurtje wandelen zit je middenin de stad Concord. Uit het boek ‘Walden’ blijkt ook dat Thoreau meermaals per week naar de stad trok, de krant las, en in z’n hutje regelmatig bezoek kreeg. Mijn inschatting is dat-ie er ook voor internet zou gekozen hebben als dat toen had bestaan. Hoe we het ook draaien of keren, de mens blijft een sociaal beestje.”


Always on

“‘Always on’ zijn, altijd bereikbaar, met een to-dolijstje van hier tot Tokyo, dat noem ik ‘zooikoorts’. Net zoals de temperatuur van de atmosfeer, stijgt ook de zooikoorts bij de westerse mens gestadig.

Uit een studie van McKinsey Global Institute uit 2012 blijkt dat de gemiddelde bediende 28% van de tijd bezig is met e-mails lezen en beantwoorden. Gemiddeld werkt iemand op kantoor slechts 11 minuten ononderbroken aan dezelfde taak.

Vele delen van ons brein kunnen nauwelijks onderscheid maken tussen een e-mailconversatie en een fysiek gesprek met een persoon in dezelfde ruimte. Voor grote delen van ons brein is het dus net alsof we in dezelfde ruimte zitten samen met onze duizenden e-mailcontacten, Facebook-vrienden en LinkedIn-connecties. Logisch dat we daarvan zooikoorts krijgen.

Net zoals we soms graag fysiek in een aparte ruimte werken om niet gestoord te worden, is het goed om ons soms ook elektronisch af te zonderen. Email-programma afgezet, push-messages uitgeschakeld, telefoon op stil en geen opvallende rode cijfertjes die ons naar Facebook lokken.”


Breinvriendelijk werken?

“Fysiek hebben we bijna hetzelfde brein als onze prehistorische voorouders die in groepen van hooguit honderd mensen leefden. Het brein is dus een orgaan met structuren die optimaal functioneren in kleinere groepen. Duizenden e-mail- en sociale media-contacten én fysiek aanwezige collega’s in een open office, daar krijgt ons brein zooikoorts van. Vanuit de evolutie is ons prehistorisch brein ook vooral geschikt voor een actief leven van vruchten verzamelen en prooien jagen. Niet voor uren stilzitten voor een schermpje met hooguit wat fijne vingermotoriek op toetsenbord en muis.

Wat is dan wel ‘breinvriendelijk’? Een werksfeer waarin het OK is om e-mail af te zetten. Waarbij je misschien zelfs een ‘do not disturb’ kaartje aan jouw PC kan hangen. Waarbij het OK is om af en toe eens recht te staan. Een rustig prikkelarm plekje op te zoeken als je dat nodig hebt. Er zijn ontelbare creatieve mogelijkheden om een zooikoorts-arme omgeving te scheppen.”


Maken sociale media ons (on)gelukkig?

“Is muziek mooi? Smaakt pizza lekker? Zijn computers leuk? Het wetenschappelijk correcte antwoord op dit soort vragen is: soms wel, soms niet, voor sommige mensen, in sommige omstandigheden, in bepaalde mate, afhankelijk van de definitie, enzovoort. Dat geldt dus ook voor de vraag: maken sociale media ons ongelukkig?

Alleen al over linken tussen Facebookgebruik en welzijn bestaan er talloze studies. Er bestaat zelfs al een wetenschappelijk onderbouwde Facebook Verslavingstest, de BFAS (Bergen Facebook Addiction Scale, Andreassen et al., 2012). Er bestaat ook al een meta-studie (een studie die 18 eerdere studies bundelt) over de linken tussen Facebook en eenzaamheid (Song et al., 2014). Daaruit blijkt: hoe meer Facebook je gebruikt, hoe eenzamer je je voelt. Zoals steeds bij dit soort onderzoek is hierbij wel de richting van belang: zitten eenzame mensen meer op Facebook of gaat het pad van Facebook naar eenzaamheid? Het tweede lijkt het geval.

Dat Facebookgebruik vaak samengaat met een dip in ons welzijn, blijkt keer op keer uit talloze wetenschappelijke studies. Vooral door passief gebruik (zogenaamd ‘lurken’) ontstaat een grotere kans op jaloerse gevoelens. Gevoelens van ‘al die mensen hebben zulke geweldige levens, het mijne is daarentegen maar saai’. Waarbij we vergeten dat ook die andere mensen grotendeels ‘saaie’ levens leiden zoals het onze. Net als wij zetten ze niet op Facebook wanneer ze de toiletrol vervangen. Of de afwas doen. Of wanneer de poes de zoveelste haarbal op het vasttapijt heeft gedeponeerd.

Dit biedt ons dan ook een mogelijke uitweg uit het emotionele moeras waarin Facebook ons lijkt te verdrinken. We kunnen enerzijds gewoon stoppen met Facebooken, wat uit experimenteel onderzoek erg positief blijkt voor ons welzijn. Anderzijds kunnen we ook werken aan de stijl waarop we er onszelf presenteren: wanneer we onszelf niet meer (overdreven) positief voorstellen, maar meer kiezen voor eerlijkheid, dan lijkt dit te leiden tot meer échte sociale connecties. Dus de volgende keer dat je een baaldag hebt of aan zooikoorts lijdt, kan je ook dat misschien met jouw vrienden delen. Misschien herkent een medemens zich plots wel in jou.”


Dit artikel verscheen eerder in Charlie magazine in ingekorte versie.

© 2019 by Annelies A. A. Vanbelle

  • White LinkedIn Icon